Naar de inhoud

Cookies op deze site

Noodzakelijke cookies staan altijd aan. Met jouw toestemming meten we ook hoe de site wordt gebruikt en welke advertenties tot een aanvraag leiden, en tonen we je passende advertenties. Lees meer in het cookiebeleid.

Bereikbaar van 07.00 tot 16.00 uur +31 72 234 0706 info@palvaro.nl
Palvaro

Kennisbank

Een sonderingsrapport lezen: zo werkt het

Een sonderingsrapport lezen is makkelijker dan het lijkt. In dit artikel lees je wat de lijnen in de grafiek betekenen, hoe je zand, klei en veen herkent en waar de draagkrachtige laag zit.

Grond en onderzoekLeestijd 7 minPalvaro-kennisbank

Een sonderingsrapport lezen lijkt op het eerste gezicht lastig: een paar grillige lijnen, waarden in megapascal en een diepteschaal die tot ver onder NAP loopt. Toch is de logica eenvoudig zodra je weet wat er gemeten wordt. In dit artikel lopen we het rapport stap voor stap door: wat de lijnen betekenen, hoe je zand, klei en veen herkent, wat de grondwaterstand je vertelt en waar de draagkrachtige laag zit. Zo kun je het gesprek met je constructeur of funderingspartner met kennis van zaken voeren.

Wat een sondering meet

Bij een sondering wordt een stang met een conusvormige punt met constante snelheid de grond in gedrukt, ongeveer 2 centimeter per seconde. Sensoren in en achter de punt registreren onderweg onafgebroken hoeveel weerstand de bodem biedt. Het resultaat is geen verzameling losse monsters, maar een doorlopend profiel van het maaiveld tot de einddiepte.

Het rapport geeft per meetpunt de volgende metingen, uitgezet tegen de diepte:

  • de conusweerstand: de weerstand op de punt;
  • de plaatselijke wrijving: de weerstand langs de kleefmantel net achter de punt;
  • het wrijvingsgetal: de verhouding tussen die twee, berekend uit de metingen;
  • soms de waterspanning, als er met een waterspanningsconus is gemeten.

Een sonderingsrapport lezen begint bij de kop

Voordat je naar de grafiek kijkt, loont het om de kop of het voorblad te lezen. Daar staan gegevens die bepalen hoe je de rest interpreteert:

  • De locatie van het meetpunt, vaak met coördinaten en een situatieschets. Controleer of het punt binnen of vlak bij je bouwplan ligt.
  • Het hoogtepeil van het maaiveld, meestal ten opzichte van NAP. Alle dieptes in de grafiek zijn daaraan gekoppeld. Wie twee sonderingen vergelijkt, moet ze op hetzelfde peil naast elkaar leggen.
  • Het conustype. De standaardconus heeft een oppervlak van 10 cm². In Nederland wordt ook vaak een conus van 15 cm² gebruikt, die robuuster is en beter door grindlagen komt.
  • Bijzonderheden, zoals een voorboring door een verharding of een sondering die voortijdig is gestopt.

Dat laatste is belangrijk. Een sondering die op puin of een oude fundering stuit, zegt niets over wat eronder zit. Staat er in de kop of onder de grafiek dat de sondering eerder is beëindigd, dan is het meetpunt voor een paalontwerp vaak niet compleet.

Zo lees je de sondeergrafiek

De verticale as is de diepte. Bovenaan staat het maaiveld, en hoe verder je naar beneden kijkt, hoe dieper je in de grond zit. Op de horizontale as staan de meetwaarden. De conusweerstand staat meestal als doorgetrokken lijn in megapascal (MPa). De wrijving en het wrijvingsgetal staan in een aparte kolom of met een eigen schaal in dezelfde grafiek.

Lees de sondeergrafiek van boven naar beneden, als een doorsnede van de bodem. Elke plek waar de lijnen duidelijk van karakter veranderen, is vaak de grens tussen twee lagen.

Conusweerstand: hoe vast is de grond?

De conusweerstand is de belangrijkste lijn. Hoe verder hij naar rechts uitslaat, hoe meer weerstand de punt ondervond en hoe vaster het materiaal. Vast zand en grind geven hoge waarden. Slappe klei en veen geven lage waarden, waarbij de lijn soms vlak langs de linkerkant van de grafiek loopt.

Let op de vorm, niet alleen op de hoogte. Een grillige, zaagtandachtige lijn met hoge pieken wijst vaak op zand met wisselende dichtheid of op dunne zandlaagjes. Een rustige, lage lijn wijst op een homogeen slap pakket.

Plaatselijke wrijving en wrijvingsgetal: waar bestaat de grond uit?

De plaatselijke wrijving, in de praktijk vaak kleef genoemd, wordt gemeten met de kleefmantel achter de punt. Op zichzelf is die waarde lastig te duiden. Daarom staat er bijna altijd een afgeleide lijn bij: het wrijvingsgetal. Dat is de plaatselijke wrijving gedeeld door de conusweerstand, uitgedrukt in procenten.

Het wrijvingsgetal zegt iets over de soort grond. Grofkorrelig materiaal zoals zand en grind geeft een laag wrijvingsgetal: de punt gaat er zwaar doorheen, maar de grond hecht weinig aan de mantel. Fijnkorrelig en organisch materiaal zoals klei en veen geeft een hoog wrijvingsgetal: weinig weerstand op de punt en verhoudingsgewijs veel wrijving langs de mantel.

Verwar deze kleef niet met negatieve kleef. Dat is een ontwerpbegrip: slappe lagen die zakken en daarbij aan een paal gaan hangen. Meer daarover lees je in het artikel over funderen op klei, veen of zand.

Zand, klei en veen herkennen in de grafiek

Combineer je de conusweerstand met het wrijvingsgetal, dan kun je de belangrijkste grondsoorten grofweg uit elkaar houden. De tabel hieronder geeft het patroon. Het is een hulpmiddel om de grafiek te leren lezen, geen formele classificatie.

GrondsoortConusweerstandWrijvingsgetalZo ziet het eruit
ZandHoogLaagLijn slaat ver naar rechts uit, vaak grillig met pieken
GrindZeer hoogZeer laagHoge pieken, de sondering kan hier stoppen
Leem of kleiig zandMatigTusseninOvergangsgebied tussen zand en klei
KleiLaag tot matigHoogRustige lijn links in de grafiek, wrijvingsgetal duidelijk hoger
VeenZeer laagZeer hoogLijn tegen de linkerkant, wrijvingsgetal op zijn hoogst

Een paar praktische aanwijzingen:

  • Veen herken je aan de combinatie. Een zeer lage conusweerstand met een uitgesproken hoog wrijvingsgetal is een klassiek veenpatroon.
  • Dunne zandlagen in klei of veen verschijnen als korte pieken in de conusweerstand. Ze zien er stevig uit, maar zijn meestal te dun om op te funderen.
  • Overgangen zijn zelden scherp. Kleiig zand en zandige klei liggen tussen de uitersten in. Daar is ervaring nodig, en soms een boring om zeker te zijn.

Voor een formele bepaling van de grondsoort werkt een geotechnisch adviseur met classificatiediagrammen en normen. De vuistregels hierboven helpen je vooral om te begrijpen wat er in het rapport staat en welke vragen je kunt stellen.

Grondwaterstand en waterspanning

Veel rapporten noemen een grondwaterstand. Die wordt vaak na afloop in het sondeergat gemeten en is dan een momentopname: het grondwater kan per seizoen en per jaar verschillen. Voor de fundering is de grondwaterstand van belang voor de bouwput, voor de vraag of er bemaling nodig is en voor de duurzaamheid van materialen, bijvoorbeeld de bescherming van staal tegen corrosie.

Is er gesondeerd met een waterspanningsconus, dan staat er een extra lijn in de grafiek: de waterspanning tijdens het indrukken. Die helpt vooral onder de grondwaterstand om lagen te onderscheiden. In doorlatend zand blijft de gemeten waterspanning dicht bij de gewone waterdruk. In slecht doorlatende klei kan hij tijdens het indrukken flink oplopen, omdat het water daar niet snel genoeg weg kan.

Waar zit de draagkrachtige laag?

Dit is de vraag waar het uiteindelijk om draait. In grote delen van Nederland is de draagkrachtige laag een pakket vast zand onder de slappe klei- en veenlagen. In de grafiek zie je dat als het punt waar de conusweerstand na een lange, lage strook duidelijk oploopt en hoog blijft.

Let daarbij op drie dingen:

  1. Dikte. Een laag is pas draagkrachtig als hij dik genoeg is. Een korte piek is geen fundament.
  2. Wat eronder zit. Ligt er onder het zand weer een slappe laag, dan telt die mee in de beoordeling. Een paal op een dunne zandlaag boven klei kan alsnog zakken.
  3. Verschillen tussen meetpunten. De diepte van de zandlaag kan binnen één kavel verschillen. Leg de sonderingen daarom naast elkaar op hetzelfde NAP-peil en kijk of het beeld overeenkomt.

Waarom er dieper wordt gemeten dan de paal lang wordt

Het draagvermogen van de paalpunt wordt in Nederland vaak berekend met de methode van Koppejan, ook wel de 4D-8D-methode genoemd. Die kijkt naar de conusweerstand in een zone onder de paalpunt en een zone erboven, gerekend in paaldiameters. Daarom moet de sondering ruim onder het beoogde paalpuntniveau doorlopen. Een sondering die stopt op de plek waar het zand begint, is voor die berekening onvoldoende.

Wat je niet uit een sonderingsrapport haalt

Een sonderingsrapport is een meting, geen ontwerp. Het vertelt je niet:

  • welk paaltype het beste bij je plan past;
  • hoeveel palen er nodig zijn en hoe lang ze worden;
  • of de grond verontreinigd is, of er archeologie in zit of waar kabels en leidingen liggen.

De vertaling naar paaltype en paallengte gebeurt in het funderingsadvies. Daarbij telt ook het paalsysteem zelf: elk paaltype heeft eigen factoren in de draagvermogenberekening, waardoor dezelfde sondering bij het ene type tot kortere of minder palen kan leiden dan bij het andere. Daarna rekent de constructeur alles door. Wat er in dat document staat, lees je in ons artikel over de inhoud van een statische berekening.

Je sonderingsrapport laten beoordelen

Heb je al een rapport en twijfel je of het voldoende is? Kijk dan vooral naar de ligging van de meetpunten, de diepte waarop gestopt is en het aantal punten ten opzichte van de omvang van je plan. Heb je nog geen grondonderzoek, dan kun je bij Palvaro een sondering laten uitvoeren als eerste stap van het traject. Stuur je tekening en eventuele bestaande sonderingen mee met je aanvraag voor een offerte voor je fundering, dan kijken we mee wat er voor jouw plan nodig is en heb je binnen 5 werkdagen een offerte of een gerichte vraag terug.

Vragen

Veelgestelde vragen

Bij welke conusweerstand is een laag draagkrachtig genoeg voor palen?

Er is geen vaste grenswaarde die voor elke paal geldt. Of een laag geschikt is als paalpuntniveau, hangt af van de conusweerstand in een zone onder en boven de paalpunt, de dikte van de laag, het paaltype en de belasting. Daarom bepaalt de constructeur het paalpuntniveau met een berekening en niet met één getal uit de grafiek.

Wat betekent een hoog wrijvingsgetal?

Een hoog wrijvingsgetal wijst meestal op fijnkorrelige of organische grond, zoals klei of veen. Zand en grind geven juist een laag wrijvingsgetal. Samen met de conusweerstand geeft het een goed beeld van de opbouw van de bodem.

Waarom stopt een sondering soms eerder dan gepland?

Een sondering stopt voortijdig als de punt op een obstakel of een zeer vaste laag stuit, zoals puin, grind of een oude fundering. Wat eronder zit, is dan onbekend. Vaak wordt het meetpunt verplaatst of aangevuld met een extra sondering.

Kan ik een oude sondering uit de buurt gebruiken?

Een sondering uit de buurt geeft een eerste indruk, maar vervangt geen meting op je eigen kavel. De bodem kan over korte afstand verschillen. Of een bestaande sondering bruikbaar is, hangt af van de afstand tot je bouwplan, de bereikte diepte en de kwaliteit van de meting.

Verder lezen

Hier helpen wij je verder

Sonderingen

Grondonderzoek dat laat zien op welke diepte de draagkrachtige laag ligt, met een helder sonderingsrapport.

Bekijk sonderingen

Aan de slag

Funderingsvraag voor je eigen project?

Palvaro regelt het complete traject, van sondering tot en met de palen. Je krijgt binnen 5 werkdagen een gratis offerte.

Meer in de kennisbank